Nierdonatie bij leven is
een behoorlijk transparant traject; de levende donor en ontvanger worden
uitgebreid medisch en psychologisch gescreend en bij een "go" vindt de
transplantatie plaats.
Beiden hebben een
substantiële kans om goed uit deze ingreep te komen.
Bij het afstaan van
organen "na overlijden" in het geval van de miljoenen Nederlanders die een
donorcodicil hebben is niet altijd even duidelijk wat dit nu precies inhoudt.
De overheid heeft erg haar best gedaan om ons te doen geloven dat je als donor eerst dood moet zijn.
De overheid heeft erg haar best gedaan om ons te doen geloven dat je als donor eerst dood moet zijn.
Het criterium bij doneren
na overlijden is "hersendood", dus "waarschijnlijk aan het sterven, maar nog
niet overleden".
Hersendood is niet zozeer een wetenschappelijk feit maar veeleer een afspraak.
Hersendood is niet zozeer een wetenschappelijk feit maar veeleer een afspraak.
Onder narcose (die bij een
overledene niet nodig zou hoeven zijn), aan de beademing en met een
functionerende bloedsomloop worden de organen uitgenomen.
De organen léven, evenals
de donor, immers dode organen zijn ongeschikt om te worden getransplanteerd in een
ontvanger.
Weefsels (hoornvlies, huid, bot-
en peesweefsel, hartkleppen) wél, die kunnen binnen 24 uur na overlijden nog
gebruikt worden.
Na de orgaanuitname
overlijdt de donor (uiteraard) alsnog.
Steeds meer mensen vinden
dat hierdoor het waardige stervensproces, waar iedereen recht op heeft, op
brute wijze wordt doorbroken.
Ik ben van mening dat er
een flinke discussie op gang zal komen als eenieder duidelijk wordt hoe
orgaandonatie na overlijden nu werkelijk plaats vindt.
Een van de oplossingen
voor dit ethische vraagstuk is donatie bij leven.
In aantallen vindt er nu
al een verschuiving plaats van het doneren na overlijden naar het doneren bij
leven.
De donorcampagnes blijven
zich echter richten op het invullen van een codicil, terwijl het plafond daarin
zo’n beetje bereikt is, getuige de donorweek in 2014.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten