Let op! Deze bijdrage
bevat mogelijk informatie die door sommigen als schokkend kan worden ervaren.
In zijn boek "Wat je over
orgaandonatie zou moeten weten" (2014) prikt Ger Lodewick (1944) een groot
taboe door; wij zijn misleid m.b.t. de inhoud van het donorcodicil.
In tegenstelling tot wat
veel mensen denken vindt de uitname van vitale organen (nieren, longen, lever,
alvleesklier en hart) namelijk niet plaats ná het daadwerkelijke overlijden van
de donor maar terwijl deze nog voor 97% in leven is.
De donor sterft dan ook
aan de gevolgen van het "oogsten" van zijn organen.
Van een waardig stervensproces,
waar immers ieder mens recht op heeft, is hierbij geen sprake.
Sinds 1968 is "hersendood"
het criterium voor orgaanuitname.
Dit is echter geen wetenschappelijke
diagnose maar een prognose; de patiënt zal wellícht gaan overlijden.
Slechts de activiteit in
de hersenschors wordt gemeten (ca. 20% van ons brein) maar het kan zo zijn dat
de diepere gedeelten van de hersenen nog volop actief zijn.
Hersendood is een
rechtvaardiging om organen te mogen verwijderen uit een levend mens, zonder dit
criterium zouden de betreffende medici voor doodslag worden aangeklaagd.
Narcose is bij de
orgaanuitname niet verplicht, 75% van de donoren maakt dan ook afwerende gebaren
en komt overeind bij de aanvang van de operatie (Lazarusreflexen). Dit
verschijnsel kan alleen maar plaatsvinden bij een onbeschadigd ruggenmerg en niet
na overlijden.
De hartslag en bloeddruk
van de donor schieten omhoog en ook zweten wordt waargenomen, allemaal
verschijnselen die in het geval “zijnde overleden” niet meer kunnen optreden.
Echter, vitale (=levende)
organen van een overledene zijn niet bruikbaar…..
Er zouden inmiddels meerdere
artsen, anesthesisten en verpleegkundigen zijn die weigeren nog langer aan deze
praktijken mee te doen.
Het boek staat vol met
getuigenissen maar ook met voorbeelden van hersendood verklaarde "overledenen"
die nadien gewoon hersteld zijn.
Desondanks wordt voortdurend
door de overheid en instellingen gepoogd om zoveel mogelijk donoren te scoren, zelfs
bij het afhalen van een rijbewijs of onder kinderen van twaalf jaar en ouder
wordt het donorcodicil gepresenteerd.
In Nederland wachten enkele
duizenden nierpatiënten op een nieuwe nier.
De ca. 800 patiënten op de
lijst Eurotransplant komen in aanmerking voor een nier van een overledene met
de bekende wachttijd van vier tot vijf jaar.
Daarbuiten hopen nog eens
enkele duizenden ooit een nier te bemachtigen maar zij staan nog niet op de
lijst omdat zij bijvoorbeeld kanker hebben gehad of omdat hun nierfunctie nog
boven de 10% bedraagt en nierdialyse nog niet aan de orde is.
Lodewick stelt dat als
mensen gaan beseffen wat het donorcodicil nu écht inhoudt, zij massaal hun
keuze voor donatie na overlijden zullen gaan veranderen in een volmondig "nee".
Ik was enorm benieuwd of
hij een alternatief zou aandragen.
Levende donatie behandelt
hij in dit boek niet, het is mij dan ook niet duidelijk geworden of hij er nou
een voorstander van is of niet.
In mijn beleving is de enige hoop die
nierpatiënten nog kunnen hebben dat vroeg of laat een levende donor bereid wil zijn om aan hen een nier af te staan.
En die levende donor wordt
óók geopereerd terwijl hij of zij in leven is, maar gelukkig onder narcose…..

Geen opmerkingen:
Een reactie posten